ECLI:NL:CRVB:2014:587
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens ontbreken woonplaats in gemeente
Appellante ontving sinds 2001 bijstand en stond ingeschreven op een adres in de gemeente ’s-Gravenhage, dat eigendom was van haar zwager. Uit onderzoek bleek dat zij feitelijk in Spanje verbleef en daar ook haar pintransacties verrichtte. De sociale recherche stelde een proces-verbaal op uitkeringsfraude op.
Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug over meerdere perioden waarin appellante geen woonplaats in de gemeente had. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij psychische problemen had en dat het college zorgplicht had, maar deze gronden werden verworpen.
De Raad oordeelde dat appellante haar woonplaats had verloren door feitelijk verblijf in het buitenland, dat zij haar inlichtingenverplichting schond en dat het college terecht bijstand introk en terugvorderde. Dringende redenen om terugvordering achterwege te laten waren niet aangetoond. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.