Appellante, werkzaam als orderpicker, viel wegens rugklachten uit op 24 april 2009 en vroeg op 3 januari 2011 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde bij besluit van 4 maart 2011 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op uitkering bestond. Dit besluit werd bij bezwaar van appellante op 31 oktober 2011 gehandhaafd.
De rechtbank Roermond verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de medische gegevens geen aanleiding gaven het oordeel van de verzekeringsartsen te betwisten. De rechtbank nam mee dat de bezwaarverzekeringsarts het rapport van Van der Boog niet als nieuw of afwijkend beschouwde en dat ook de arbeidskundige beoordeling voldoende was onderbouwd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het besluit onvoldoende medische en arbeidskundige grondslag had, onder meer omdat de bezwaarverzekeringsarts geen lichamelijk onderzoek had gedaan. De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en volledig was en dat het ontbreken van een lichamelijk onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts niet leidde tot onvoldoende zorgvuldigheid, mede omdat eerdere onderzoeken en medische informatie waren betrokken.
De Raad vond ook dat de arbeidskundige beoordeling correct was en dat er geen nieuwe medische gegevens waren die het oordeel konden wijzigen. Daarom bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af.