ECLI:NL:CRVB:2021:1062
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering na zorgvuldige beoordeling door UWV
Appellante was werkzaam als orderpicker en kampte met rug-, schouder- en knieklachten, waarvoor zij sinds 2009 arbeidsongeschikt was. Het UWV heeft in 2011 en 2014 vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waardoor zij geen WIA-uitkering kreeg toegekend. Na een melding van verslechterde klachten in 2016 heeft het UWV opnieuw onderzoek gedaan en geconcludeerd dat er geen toename van beperkingen was die recht gaf op een uitkering.
Appellante bracht medische rapporten in van eigen artsen die een toename van klachten stelden, waaronder de diagnose fibromyalgie. De Raad oordeelde echter dat deze rapporten onvoldoende onderbouwing boden om het standpunt van het UWV te weerleggen. Het UWV had alle medische gegevens zorgvuldig bestudeerd en de verzekeringsarts bezwaar en beroep had de zaak opnieuw beoordeeld, inclusief een hoorzitting.
De Centrale Raad van Beroep vond dat het onderzoek en de motivering van het UWV voldoende zorgvuldig en inzichtelijk waren. De klachten en diagnoses van appellante gaven geen aanleiding tot het vaststellen van een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering.