Appellante, een overheidswerkgever, maakte bezwaar tegen de toekenning en betaling van een WW-uitkering aan haar voormalige werknemer, stellende dat deze niet voldoende had gesolliciteerd. Het UWV had de uitkering toegekend en geweigerd deze in te trekken, waarbij het stelde dat de controle op de sollicitatieverplichting steekproefsgewijs plaatsvindt en de overheidswerkgever verantwoordelijk is voor de re-integratietaak.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het UWV niet tekort was geschoten in zijn controletaak en appellante onvoldoende bewijs had geleverd dat haar voormalige werknemer niet aan zijn verplichtingen had voldaan. Appellante stelde in hoger beroep dat het UWV zijn controletaak had veronachtzaamd en dat de rechtbank ten onrechte niet op alle beroepsgronden had beslist.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde de uitspraak voor zover de rechtbank niet had beslist op het bezwaar tegen de betaling van de WW-uitkering in maart 2011, maar verklaarde dit bezwaar alsnog ongegrond. De Raad bevestigde dat het UWV steekproefsgewijs controleert en dat het aan de overheidswerkgever is om de kwaliteit van sollicitaties te beoordelen en melding te maken bij tekortkomingen. Appellante had haar stellingen onvoldoende onderbouwd en het beroep werd verder ongegrond verklaard.
De Raad wees het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante. De uitspraak benadrukt de scheiding van taken tussen het UWV en overheidswerkgevers bij de controle op WW-verplichtingen.