Uitspraak
OVERWEGINGEN
- punt 18 van de considerans bij Richtlijn 2000/78 luidt:
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1950, was werkzaam in een substantieel bezwarende functie (SB-functie) bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Hij werd op grond van de SBF-regeling met ingang van 1 augustus 2010 buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging verleend, met een uitkering van 80% van zijn bezoldiging tot 1 juli 2013. Appellant stelde dat hij onvoldoende was voorgelicht over de financiële gevolgen van de regeling en dat het ontslag leeftijdsdiscriminatie betrof.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het ontslagbesluit gebonden was aan vaste ontslagdata volgens het ARAR en de SBF-regeling. Ook was het gebrek aan informatievoorziening niet voldoende om het besluit onrechtmatig te verklaren. Appellant stelde in hoger beroep dat de minister in strijd had gehandeld met de Wet Gelijke Behandeling op grond van leeftijd bij arbeid (Wgbla).
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de SBF-regeling een algemeen verbindend voorschrift is, gebaseerd op een arbeidsvoorwaardenovereenkomst met vakorganisaties, en dat de rechter terughoudendheid moet betrachten bij toetsing. Het leeftijdscriterium is objectief gerechtvaardigd vanwege het legitieme doel van het beperken van risico’s bij zwaar en gevaarlijk werk. De Raad stelde vast dat de minister niet in strijd met de Wgbla heeft gehandeld en dat het leeftijdsverschil passend en noodzakelijk is. Ook het ontbreken van een verzoek tot doorwerken of gebruik van een regeling voor een tweede carrière leidt niet tot onrechtmatigheid.
De Raad bevestigde verder dat de door het pensioenfonds ABP vastgestelde einddatum van de uitkering correct is berekend en dat individuele keuzes hierbij niet relevant zijn. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het ontslag van appellant is rechtmatig en niet in strijd met de Wgbla.