Uitspraak
OVERWEGINGEN
- punt 18 van de considerans bij Richtlijn 2000/78 luidt:
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1950, was werkzaam in een substantieel bezwarende functie bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie en werd ontslagen op grond van de SBF-regeling, die een overgangsregeling bevat voor ambtenaren geboren tussen 1950 en 1964. De minister stelde de hoogte en duur van de SBF-uitkering vast, waarbij de einddatum werd bepaald door een pensioenfondsberekening.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij onvoldoende was voorgelicht over de financiële consequenties van de regeling en dat de minister in strijd met de Wet Gelijke Behandeling op grond van Leeftijd bij Arbeid (Wgbla) had gehandeld door hem niet toe te staan door te werken of een tweede carrière te bieden. De rechtbank had zijn beroep ongegrond verklaard.
De Raad oordeelde dat de SBF-regeling een algemeen verbindend voorschrift is dat de rechter slechts met terughoudendheid kan toetsen. De regeling en de vastgestelde uitkeringsduur zijn gebaseerd op een zorgvuldige berekening en zijn objectief gerechtvaardigd. Het leeftijdsgebonden ontslag is passend en noodzakelijk vanwege de aard van de functie en het doel om risico’s te beperken. De minister heeft niet gehandeld in strijd met de Wgbla, ook niet door het ontbreken van een expliciete aanbieding van alternatieven.
De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.