Uitspraak
OVERWEGINGEN
- punt 18 van de considerans bij Richtlijn 2000/78 luidt:
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1950, was werkzaam in een substantieel bezwarende functie bij de Dienst Justitiële Inrichtingen. Hij werd ontslagen op grond van de SBF-regeling, waarbij de ontslagdatum en de hoogte van de uitkering gebonden besluiten zijn. Appellant voerde aan onvoldoende te zijn voorgelicht over de financiële gevolgen en stelde dat sprake was van leeftijdsdiscriminatie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het ontslag een gebonden besluit is en dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden. In hoger beroep stelde appellant dat de minister in strijd met de Wet Gelijke Behandeling op grond van leeftijd bij arbeid (Wgbla) had gehandeld en dat hij niet goed was geïnformeerd.
De Raad oordeelde dat de SBF-regeling een algemeen verbindend voorschrift is en dat de minister binnen de ruime beoordelingsmarge heeft gehandeld. Het leeftijdscriterium is objectief gerechtvaardigd vanwege de aard van de functie en het belang van het voorkomen van risico's. Ook het ontbreken van een verzoek tot doorwerken of gebruik van de Regeling tweede carrière leidt niet tot onrechtmatigheid. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd; er is geen sprake van leeftijdsdiscriminatie bij het ontslag.