Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:677

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 februari 2014
Publicatiedatum
3 maart 2014
Zaaknummer
11-5484 AWBZ-T2
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 lid 2 AwbArt. 21 lid 1 BeroepswetArt. 21 lid 6 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over herstel gebreken in besluit Zorgkantoor inzake AWBZ-uitbetalingen 2009

In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Groningen inzake een besluit van het Zorgkantoor over uitbetalingen in het kader van de AWBZ in 2009.

De Raad heeft eerder een tussenuitspraak gedaan waarin is bepaald dat het Zorgkantoor bepaalde gebreken in haar besluit moet herstellen. Het Zorgkantoor heeft vervolgens aangegeven dat zij geen waarde hecht aan de door de Belastingdienst geaccepteerde bedragen, omdat deze uitgaan van de juistheid van belastingplichtigen. Volgens het Zorgkantoor moet de juistheid worden aangetoond met betaalbewijzen conform de zorgovereenkomst.

Appellante stelt dat het Zorgkantoor de tussenuitspraak niet correct heeft uitgevoerd door de bewijsmiddelen van de budgethouder niet mee te wegen. De Raad oordeelt dat het Zorgkantoor miskent dat appellante genoegzaam heeft aangetoond dat in 2009 de genoemde bedragen zijn uitbetaald. Het gebrek is daardoor niet hersteld en het Zorgkantoor wordt opgedragen binnen zes weken het besluit te herstellen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitkomst: Het Zorgkantoor wordt opgedragen binnen zes weken het besluit te herstellen conform de tussenuitspraak.

Uitspraak

11/5484 AWBZ-T2
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van
8 augustus 2011, 11/158 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante]te [woonplaats] (appellante)
Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor)
PROCESVERLOOP
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 13 november 2013 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2013:2413, gedaan.
Vervolgens heeft het Zorgkantoor bij brief van 10 december 2013 kennis gegeven van de wijze waarop het aan de tussenuitspraak uitvoering heeft gegeven.
Hierop heeft mr. [H.] namens appellante bij brief van 5 januari 2014 een reactie ingezonden.
Met toepassing van de artikelen 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak voor een uiteenzetting van de feiten en omstandigheden. Hij voegt hieraan het volgende toe.
2.1.
Het Zorgkantoor schrijft in de brief van 10 december 2013 dat het geen waarde toekent aan het gegeven dat de Belastingdienst voor het jaar 2009 bedragen van € 22.230,- en
€ 10.916,- heeft geaccepteerd, aangezien de Belastingdienst in principe uitgaat van de juistheid van de opgaven van de belastingplichtigen. Hierdoor is volgens het Zorgkantoor de juistheid van de opgegeven uitbetaalde bedragen niet komen vast te staan. Het Zorgkantoor dient te toetsen aan de Regeling. Daarbij dienen verantwoorde uitbetaalde bedragen onderbouwd te (kunnen) worden door middel van betaalbewijzen waaruit blijkt dat de budgethouder de zorg heeft ingekocht en betaald volgens de in de zorgovereenkomst overeengekomen wijze.
2.2.
Appellante stelt zich in de brief van 5 januari 2014 op het standpunt dat het Zorgkantoor de tussenuitspraak niet juist heeft uitgevoerd door de bewijsmiddelen van de budgethouder niet mee te wegen.
3.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Uit de rechtsoverwegingen 4.4.5 en 4.4.6 van de tussenuitspraak vloeit, op grond van de daar gegeven motivering, voort dat het Zorgkantoor er bij de nadere besluitvorming van moet uitgaan dat appellante genoegzaam heeft aangetoond dat in 2009 aan [Appellante] in totaal
€ 10.916,- en aan [T.] in totaal € 22.320,- is uitbetaald ter zake van relevante zorg. Het Zorgkantoor heeft dat miskend in de brief van 10 december 2013.
3.2.
Dit betekent dat het gebrek niet hersteld is en dat alsnog uitvoering moet worden gegeven aan de tussenuitspraak.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Zorgkantoor op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van deze uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en M.F. Wagner en
D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2014.
(getekend) R.M. van Male
(getekend) I.J. Penning

HD