ECLI:NL:CRVB:2014:703
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding ondanks formele scheiding
Appellant had bijstand ontvangen op grond van de WWB, maar het college stelde na onderzoek door de sociale recherche vast dat appellant en zijn voormalige echtgenote, betrokkene, ondanks formele scheiding feitelijk samenwoonden als gehuwd. Hierdoor was sprake van een gezamenlijke huishouding, wat gevolgen had voor de bijstand.
Het college trok de bijstand over de periode van september 2007 tot januari 2011 in en vorderde de ten onrechte ontvangen bedragen terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen, waaronder verklaringen van appellant, betrokkene, buurtbewoners en dochter, voldoende bewijs leverden dat er sprake was van gezamenlijke huishouding. Psychische gesteldheid van appellant deed hieraan niet af. Ook werden bezwaren tegen het onderzoek en de waardering van verklaringen verworpen.
De Raad bevestigde dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door zijn feitelijke woonsituatie niet te melden, waardoor het college terecht de bijstand introk en terugvorderde. Beroepen op dringende redenen om terugvordering te voorkomen werden afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding ondanks formele scheiding.