Uitspraak
OVERWEGINGEN
- Op 28 december 2007 heeft appellant een geldbedrag van 1.100.000,- dirham, omgerekend ca. € 100.000,-, gestort op een op zijn naam gestelde bankrekening in Marokko (Marokkaanse bankrekening).
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf 18 september 2006 bijstand op grond van de WWB, met een vastgesteld vrij te laten vermogen van €580. Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde €19.047,17 terug, omdat appellant vermogen en inkomsten had verzwegen.
Appellant werd in 2010 veroordeeld voor gewoonte-witwassen, wat aanleiding gaf tot nader onderzoek door sociale recherche. Dit onderzoek toonde contante stortingen op zijn privérekening en een grote storting op een Marokkaanse bankrekening, alsmede de aanschaf van meerdere auto’s die niet waren gemeld. Appellant voerde aan dat het geld geleend was of toebehoorde aan derden, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen.
De Raad oordeelde dat het aan appellant was om aannemelijk te maken dat het vermogen niet toerekenbaar was, wat niet is gelukt. Het bezit van meerdere auto’s en de stortingen overschreden het vrij te laten vermogen. Door het niet melden hiervan schond appellant zijn inlichtingenplicht. De intrekking en terugvordering waren daarom terecht en het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand zijn bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht door appellant.