ECLI:NL:CRVB:2014:854
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid inhouding buitenlandbijdrage op AOW-pensioen
Appellant, geboren in 1932 en woonachtig in Frankrijk sinds 1991, ontvangt een AOW-pensioen gebaseerd op 43 verzekerde jaren in Nederland en daarnaast ouderdomspensioenen uit Finland en het Verenigd Koninkrijk. Sinds 1 januari 2006 is hij verplicht verzekerd onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) en wordt een buitenlandbijdrage ingehouden op zijn AOW-pensioen.
Appellant betwistte de inhouding van deze bijdrage en stelde dat de wettelijke regeling in artikel 28, tweede lid, onder b, van Verordening 1408/71 betrekking heeft op ziektekostenverzekeringen, waarop hij in Finland langer was onderworpen dan in Nederland. De rechtbank vernietigde het besluit wegens onvoldoende motivering, maar erkende dat appellant een bijdrage verschuldigd was.
De Raad stelde een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van het begrip 'wettelijke regeling'. Het Hof oordeelde dat dit begrip betrekking heeft op pensioen- of renteregelingen, niet op ziektekostenverzekeringen.
Hierdoor is de bijdrageheffing door Nederland op het AOW-pensioen van appellant gerechtvaardigd, aangezien hij het langst onderworpen is aan de Nederlandse pensioenwetgeving. De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wijst het bezwaar van appellant af.
Uitkomst: De inhouding van de buitenlandbijdrage op het AOW-pensioen van appellant wordt bevestigd.