ECLI:NL:CRVB:2014:908
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens weigering arbeidsinschakeling
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant was medisch geschikt geacht om maximaal twintig uur per week te werken, met beperkingen die bij werk gezocht moesten worden. Hij weigerde deel te nemen aan een door het college aangeboden arbeidsinschakelingstraject, waarop het college de bijstand met 100% voor één maand verlaagde.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze maatregel ongegrond. In hoger beroep voerden appellanten aan dat de maatregel onredelijk was en dat de verlaging te hoog was gezien de beperkte arbeidsmogelijkheden van appellant. De Raad oordeelde dat appellant geen geldige reden had voor weigering en dat het college conform de Maatregelverordening correct had gehandeld.
De Raad wees ook het argument af dat het gezin onredelijk zwaar werd getroffen. De systematiek van de WWB vereist dat verwijtbaarheid van één partner voldoende is voor een maatregel. De Raad bevestigde dat de maatregel proportioneel en rechtmatig was opgelegd en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De verlaging van de bijstand met 100% gedurende één maand wordt bevestigd wegens weigering van arbeidsinschakeling zonder geldige reden.