ECLI:NL:CRVB:2010:BO9003
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en verlaging gezinsbijstand wegens hennepkwekerij en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving vanaf februari 2006 gezinsbijstand samen met haar echtgenoot. In september 2006 werd bij een politie-inval een hennepkwekerij op de zolder van hun woning aangetroffen. Het College van B&W trok de bijstand over de periode van februari tot september 2006 in en vorderde de kosten terug, omdat appellante en haar echtgenoot de inlichtingenplicht hadden geschonden door het niet melden van de kwekerij en een Ziektewetuitkering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad stelde vast dat de kwekerij sinds maart 2006 in bedrijf was, en dat het College terecht uitging van 1 februari 2006 als aanvangsdatum. Appellante kon onvoldoende bewijs leveren voor een latere startdatum.
Verder oordeelde de Raad dat de verlaging van de gezinsbijstand terecht was, ook al was appellante zelf niet persoonlijk verwijtbaar, omdat verwijtbaarheid van één van de partners voldoende is. De eerdere maatregel wegens arbeidsbelemmerend gedrag van de echtgenoot mocht meewegen voor de recidivebepaling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstand en de verlaging van de gezinsbijstand worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht door de echtgenoot sinds februari 2006.