ECLI:NL:CRVB:2014:911
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant en zijn echtgenote ontvingen bijstand sinds 2006 en woonden in een huurwoning waarvan appellant kamers verhuurde namens zijn familie. In 2008 opende appellant een nieuwe bankrekening voor het beheer van de huurinkomsten, maar meldde dit niet aan het college. Het college startte een onderzoek en concludeerde dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door het niet melden van deze rekening en onduidelijkheden over huurinkomsten.
Het college trok de bijstand met ingang van 1 januari 2008 in en vorderde de gemaakte kosten terug. Appellant maakte bezwaar en overhandigde handgeschreven administratie en kwitanties, maar deze werden niet als voldoende bewijs geaccepteerd. De rechtbank vernietigde het besluit deels en gaf het college opdracht opnieuw te beslissen. In hoger beroep betoogde appellant dat hij de nieuwe rekening wel had gemeld en dat hij recht had op bijstand, maar de Raad oordeelde dat dit niet aannemelijk was.
De Raad stelde vast dat appellant de bankrekening niet schriftelijk had gemeld en dat de verstrekte administratie en kwitanties onvoldoende bewijs boden voor de ontvangen huur. Het college was bevoegd de bijstand in te trekken en de kosten terug te vorderen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.