ECLI:NL:CRVB:2014:924
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens niet verschijnen bij re-integratievoorziening
Appellant ontvangt bijstand en is gestart met een traject bij WorkFast gericht op arbeidsinschakeling. Hij verscheen niet op een afspraak op 5 oktober 2011, wat door het college werd aangemerkt als onvoldoende gebruik van de aangeboden voorziening, een gedraging van de derde categorie. Het college legde een maatregel van 50% bijstandsverlaging voor één maand op, verdubbeld wegens recidive en vervolgens gehalveerd vanwege lichte verwijtbaarheid.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze maatregel ongegrond. In hoger beroep voerde appellant onder meer aan dat hij niet in zijn belangen was gehoord en dat een latere verordening van toepassing zou zijn, maar deze gronden werden verworpen. De Raad oordeelde dat appellant voldoende gelegenheid had gekregen om zijn standpunt toe te lichten en dat de maatregel rechtmatig was volgens de op het moment van het besluit geldende regelgeving.
De Raad bevestigde dat het niet verschijnen zonder bericht een verwijtbare gedraging is en dat het college bevoegd was de maatregel te verdubbelen wegens recidive. De uiteindelijke maatregel van 50% verlaging van de bijstand gedurende één maand werd passend geacht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van de bijstand met 50% gedurende één maand wegens het niet verschijnen bij WorkFast.