ECLI:NL:CRVB:2014:926
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering bijzondere bijstand voor woninginrichting bij verhuizing naar zelfstandige woonruimte
Appellant, een bijstandsgerechtigde, verzocht om bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting vanwege zijn verhuizing van een kamer naar zelfstandige woonruimte. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees dit verzoek af omdat geen sprake was van een noodzakelijke verhuizing. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro geen grond bood voor toewijzing.
Appellant stelde in hoger beroep dat het niet verlenen van bijzondere bijstand hem belemmerde in het betrekken en inrichten van zelfstandige woonruimte, waardoor hij zijn gezinsleven met zijn zoon niet kon uitoefenen. De Raad overwoog dat artikel 8 EVRM Pro het recht op respect voor privé- en gezinsleven beschermt, maar dat dit niet zo ver reikt dat het bestuursorgaan verplicht is financiële ondersteuning te bieden voor het mogelijk maken van gezinsleven met een in het buitenland wonend kind.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een belemmering die in strijd is met artikel 8 EVRM Pro. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van bijzondere bijstand bevestigd.