Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
besluit voor wat betreft de herziening vanaf 1 juli 2011;
2011 in stand blijven;
een bedrag van in totaal € 2.191,50;
griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft een hoger beroep van appellante tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot herziening en terugvordering van bijstand. De Raad verwijst naar een eerdere tussenuitspraak waarin werd vastgesteld dat het college onvoldoende materiële grondslag had voor de veronderstelling dat de inwonende dochter inkomsten had uit een persoonsgebonden budget.
Ter uitvoering van die tussenuitspraak heeft het college nadere gegevens verzameld, waaronder loonstroken van de dochter, waaruit blijkt dat zij vanaf juli 2011 inkomsten uit arbeid had die hoger waren dan het norminkomen volgens de Wet studiefinanciering 2000. Hierdoor kan appellante de noodzakelijke kosten van het bestaan met haar dochter delen.
De Raad oordeelt dat het college bevoegd was de toeslag op de bijstand over de periode van 1 juli tot en met 21 juli 2011 te herzien en te verlagen naar 10%. De eerdere uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover deze de herziening vanaf 1 juli 2011 betreft. De rechtsgevolgen van het vernietigde deel blijven in stand. Daarnaast wordt het college veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd voor de herziening vanaf 1 juli 2011, met inachtneming van de rechtsgevolgen op basis van het inkomen van de inwonende dochter.