ECLI:NL:CRVB:2014:955
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstandsuitkering wegens niet behouden algemeen geaccepteerde arbeid
Appellant ontvangt bijstand sinds september 2010 en kreeg in december 2010 een eenmalige verlaging van € 200,- omdat hij zijn werk door eigen toedoen verloor en daarmee zijn verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te behouden ernstig tekortschiet.
In september 2011 zegde appellant zijn schoonmaakbaan op met de reden dat het werk niet bij hem paste en fysiek te zwaar was. Het college verlaagde daarop de bijstand over november 2011 met 100%, later herzien tot een verlaging van € 400,- vanwege herhaald tekortschieten binnen een jaar.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de eerste verlaging niet-ontvankelijk en het beroep tegen de tweede verlaging ongegrond. Appellant voerde aan dat hij door rug- en gewrichtspijn en de ziekte van zijn zoon niet kon blijven werken, en dat de maatregel hem financieel zwaar treft.
De Raad oordeelt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat medische of andere omstandigheden hem noopten te stoppen met werken. Ook is onvoldoende concreet bewijs geleverd dat de maatregel hem onredelijk zwaar treft. De financiële problemen hangen samen met procedures over uitbetaling, niet met de maatregel zelf.
Daarom wordt het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van de bijstandsuitkering wordt bevestigd omdat appellant niet aannemelijk maakte dat medische of andere omstandigheden het opzeggen van zijn baan rechtvaardigden.