ECLI:NL:CRVB:2014:983
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet-beschikbaarheid arbeidsmarkt
Appellante heeft vanaf 2006 een ziekte- en arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen, welke later door het UWV werd herzien met terugwerkende kracht wegens het ontbreken van ziekte. In 2012 vroeg zij een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat zij niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat haar psychische problemen en taalgebrek haar belemmerden actief naar werk te zoeken en dat het UWV haar onvoldoende ondersteunde. De Raad oordeelde dat het begrip beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden een feitelijke toestand betreft, ongeacht de oorzaak van het niet beschikbaar zijn.
De Raad concludeerde dat appellante door haar houding en gedrag ondubbelzinnig heeft laten zien niet beschikbaar te zijn geweest, zoals blijkt uit verzekeringsgeneeskundige rapporten en het ontbreken van sollicitaties of inschrijving bij uitzendbureaus. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens ondubbelzinnige niet-beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt.