ECLI:NL:CRVB:2014:986
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot niet-meetellen ondernemersaftrek bij WW-uitkering afgewezen
Appellant ontving vanaf juni 2007 een WW-uitkering en kreeg toestemming om gedurende een startperiode werkzaamheden als zelfstandige te verrichten, waarbij 70% van zijn inkomsten als zelfstandige op zijn uitkering in mindering werd gebracht. Het UWV beëindigde later de uitkering deels wegens werkzaamheden als zelfstandige en vorderde een bedrag terug wegens een te hoog voorschot.
Appellant maakte bezwaar tegen deze terugvordering en stelde dat de ondernemersaftrek ten onrechte was meegenomen bij de berekening van zijn inkomsten. Hij voerde tevens aan dat het UWV hem onvoldoende had geïnformeerd en dat hij op grond van het vertrouwensbeginsel mocht verwachten dat de ondernemersaftrek niet zou worden meegeteld.
De Raad oordeelde dat de wettelijke regeling en het Besluit vaststelling inkomsten startende zelfstandigen WW duidelijk bepalen dat de ondernemersaftrek moet worden meegenomen bij de vaststelling van het inkomen. De communicatie van het UWV was voldoende en de e-mail van de werkcoach kon geen rechtsgeldige verwachting scheppen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde dan ook.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt en de ondernemersaftrek wordt terecht meegenomen bij de berekening van het inkomen voor de WW-uitkering.