ECLI:NL:CRVB:2015:1017

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 april 2015
Publicatiedatum
1 april 2015
Zaaknummer
13-4120 ZVW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 ZvwVerordening EG nr. 883/2004Stb. 2013, 578
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet over 2010

Appellant, woonachtig in België, ontving in 2010 een pensioen en AOW-uitkering. Het Zorginstituut stelde de buitenlandbijdrage over 2010 vast op €550,43, welke appellant betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde.

De Raad overwoog dat appellant op grond van Verordening EG nr. 883/2004 recht heeft op zorg in België ten laste van Nederland en daarom een bijdrageplicht heeft volgens artikel 69 Zvw Pro. De door appellant aangevoerde omstandigheden, zoals onvoldoende informatie en beslaglegging op pensioen, leiden niet tot afwijking van deze wettelijke verplichting.

De Raad verwierp ook het beroep op ongerechtvaardigd onderscheid en strijd met vrij verkeer, verwijzend naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie EU en eerdere uitspraken van de Raad. Een kennelijke verschrijving van de rechtbank over de bijdrage werd gecorrigeerd, maar dit beïnvloedde de uitkomst niet.

Uiteindelijk bevestigde de Raad de aangevallen uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af. De buitenlandbijdrage blijft onverminderd verschuldigd.

Uitkomst: De buitenlandbijdrage over 2010 van €550,43 wordt bevestigd en blijft verschuldigd.

Uitspraak

13/4120 ZVW
Datum uitspraak: 1 april 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
13 juni 2013, 12/1154 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)
PROCESVERLOOP
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2015. Appellant is verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.E. Berghout.

OVERWEGINGEN

1.1.
Bij besluit van 7 juli 2012 heeft het Zorginstituut de definitieve jaarafrekening over 2010 vastgesteld, waarbij de buitenlandbijdrage over 2010 is bepaald op € 550,43.
1.2.
Bij beslissing op bezwaar van 17 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het Zorginstituut het besluit van 7 juli 2012 herroepen en de buitenlandbijdrage over 2010 wederom vastgesteld op € 550,43.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant woonde in 2010 in België en ontvangt sinds 1 september 2010 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en pensioenen van de Stichting Pensioenfonds Hewlett-Packard, de Stichting Pensioenfonds Koninklijke Volker Wessels Stevin, Achmea Pensioenen & Levensverzekeringen (Achmea), Reaal Verzekeringen en Nationale-Nederlanden.
4.2.
In de onder 4.1 vermelde omstandigheden heeft appellant, zoals door de rechtbank met juistheid overwogen, op grond van de Verordening EG nr. 883/2004 (Vo 883/2004) recht op zorg in zijn woonland (België) ten laste van Nederland en is hij voor dit recht op zorg op grond van artikel 69 van Pro de Zorgverzekeringswet (Zvw) een bijdrage verschuldigd.
4.3.
Dat appellant - nadat hij elf jaar in België had gewoond waar hij voor ziektekosten was verzekerd en het Zorginstituut hem volgens zijn zeggen niet eerder had geïnformeerd over mogelijke (toekomstige) consequenties van de met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden Zorgverzekeringswet (Zvw) - in augustus 2010 werd overvallen door de mededeling van het Zorginstituut dat hij als verdragsgerechtigde werd aangemerkt, doet niet af aan zijn bijdrageplicht. De buitenlandbijdrage is verschuldigd op grond van een imperatief wettelijk voorschrift. Afwijking van zo’n voorschrift kan slechts plaatsvinden op grond van uitzonderlijke omstandigheden. De door appellant aangevoerde omstandigheden - daargelaten of deze juist zijn - zijn niet van dit soort omstandigheden. Niet gebleken is dat het Zorginstituut aan appellant heeft toegezegd dat vaststelling van de buitenlandbijdrage over 2010 achterwege wordt gelaten.
4.4.
De beroepsgronden over het ongerechtvaardigde onderscheid tussen ingezetenen en niet-ingezetenen en strijd met vrij verkeer slagen niet. De Raad verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 oktober 2010, C-345/09, Van Delft (ECLI:EU:C:2010:610) en de vaste rechtspraak van de Raad zoals blijkt uit de uitspraak van 13 december 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BU7125).
4.5.
Dat op een deel van het inkomen van appellant, zijnde € 6.303,-, waarover de buitenlandbijdrage is berekend beslag is gelegd door zijn ex-echtgenote, doet niet af aan de (hoogte) van de bijdrageplicht van appellant. Noch in de Zvw noch in de daarop gebaseerde Regeling zorgverzekering zijn aanknopingspunten te vinden dat inkomen waarop beslag is gelegd voor de berekening van de buitenlandbijdrage buiten beschouwing gelaten dient te worden. Met appellant is de Raad van oordeel dat de rechtbank in de laatste volzin van rechtsoverweging 3.2. ten onrechte heeft vermeld dat het Zorginstituut het bedrag van
€ 6.303,- bij de vaststelling van de AWBZ-bijdrage heeft kunnen en mogen meenemen. Dit had moeten zijn de Zvw-bijdrage. De Raad beschouwt dit als een kennelijke verschrijving van de rechtbank. Overigens is op basis van hetgeen appellant heeft aangevoerd niet gebleken dat de berekening van de buitenlandbijdrage niet overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften is geschied.
4.6.
De stelling van appellant over het niet inhouden van de buitenlandbijdrage door Achmea op zijn pensioen treft geen doel. Bij de vaststelling van de hoogte van een buitenlandbijdrage speelt het al dan niet inhouden door Achmea geen rol.
4.7.
Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2015.
(getekend) J. Brand
(getekend) J.C. Hoogendoorn

NK