ECLI:NL:CRVB:2011:BU7125
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijdrage-inhouding op pensioen in het kader van de Zorgverzekeringswet en EU-vrij verkeer
In deze zaak gaat het om de vraag of de bijdrage-inhouding op het pensioen van een gepensioneerde die in België woont, maar een Nederlands wettelijk pensioen ontvangt, rechtmatig is onder de Zorgverzekeringswet (Zvw). Appellant betwistte deze inhouding en stelde dat hij een keuzerecht had om zich aan de werkingssfeer van EU-verordeningen te onttrekken en dat de inhouding het vrije verkeer van EU-burgers onrechtvaardig beperkt.
De Raad stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat oordeelde dat de Zvw niet in strijd is met EU-regels en dat er geen keuzerecht is om de werkingssfeer van de verordeningen te ontlopen. De Raad concludeert dat de bijdrage-inhouding rechtmatig is en inherent is aan het solidariteitsbeginsel van sociale zekerheid.
Verder onderzocht de Raad of er sprake is van ongerechtvaardigde verschillen in behandeling tussen ingezetenen en niet-ingezetenen, mede in het licht van het overgangsrecht en bestuurlijke afspraken met verzekeraars. De Raad oordeelt dat het wettelijke stelsel en de overgangsregeling geen ongerechtvaardigd onderscheid maken. Hoewel er in individuele gevallen mogelijk onregelmatigheden zijn geweest, is er geen bewijs dat de Nederlandse regering bewust ongelijk heeft behandeld.
De Raad bevestigt daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam en verklaart dat de bijdrage-inhouding op het pensioen van appellant rechtmatig is en niet in strijd met het vrije verkeer van EU-burgers.
Uitkomst: De bijdrage-inhouding op het pensioen van appellant is rechtmatig en niet in strijd met het vrije verkeer van EU-burgers.