ECLI:NL:CRVB:2015:1093

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 maart 2015
Publicatiedatum
8 april 2015
Zaaknummer
13-5827 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin haar WIA-uitkering werd beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Zij stelde dat de verzekeringsartsen onvoldoende psychische beperkingen hadden opgenomen en dat de geselecteerde functies haar belastbaarheid en opleidingsniveau te boven gingen.

De Raad overwoog dat rapporten van verzekeringsartsen bijzondere waarde hebben wanneer deze zorgvuldig zijn opgesteld, maar dat betrokkene aannemelijk moet maken dat deze rapporten onzorgvuldig zijn of onjuiste beoordelingen bevatten. Appellante verwees naar een psychiatrisch rapport dat een depressieve stoornis met mogelijke psychotische verschijnselen stelde, maar de Raad vond dat dit niet tot een ander oordeel leidde dan het UWV-rapport van psychiater Visser.

Ook de arbeidskundige rapportage toonde aan dat de geselecteerde functies binnen de belastbaarheid van appellante lagen. Haar argument dat het opleidingsniveau onvoldoende was faalde, mede omdat zij in Turkije basisonderwijs en een MAVO-equivalent had voltooid. De Raad bevestigde daarom de eerdere uitspraak van de rechtbank Gelderland en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

13/5827 WIA
Datum uitspraak: 9 maart 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 september 2013, 13/1212 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2015. Appellante heeft zich, met voorafgaande kennisgeving, niet laten vertegenwoordigen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 12 september 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat het recht op uitkering van appellante op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) op
13 november 2012 eindigt, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 14 januari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de verzekeringsartsen onvoldoende psychische beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) hebben opgenomen. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst appellante naar de brief van psychiater
C.J. van den Bos-Laaij van 20 februari 2013, waarin als diagnose een depressieve stoornis wordt gesteld waarbij psychotische verschijnselen niet zijn uit te sluiten. Volgens appellante hebben de verzekeringsartsen ten onrechte meer waarde gehecht aan het door het Uwv geïnitieerde expertiseonderzoek van psychiater drs. I. Visser. Appellante verzoekt de Raad derhalve een psychiater als deskundige te benoemen. Verder voert appellante aan dat zij niet in staat is de voor haar geselecteerde functies te vervullen omdat deze functies haar belastbaarheid, dan wel haar opleidingsniveau, te boven gaan.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
4.1.
Aan rapporten opgesteld door een verzekeringsarts (bezwaar en beroep) komt, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn, naar vaste rechtspraak van de Raad een bijzondere waarde toe in die zin, dat het Uwv zijn besluiten omtrent de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op dit soort rapporten mag baseren. Dit betekent echter niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep of in hoger beroep niet aantastbaar zijn. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, niet concludent zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is. Het aannemelijk maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, dan wel niet concludent zijn, kan geschieden door niet medisch geschoolden. Voor het aannemelijk maken dat de gegeven beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapportage van een regulier medicus noodzakelijk (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 6 augustus 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2670).
4.2.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de beperkingen van appellante goed zijn weergegeven in de FML. De Raad onderschrijft hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak onder 6.3 heeft overwogen en maakt deze overwegingen tot de zijne. Ook heeft de rechtbank terecht overwogen dat de brief van psychiater Van den Bos-Laaij van
20 februari 2013, naar welke brief appellante in hoger beroep wederom verwijst, niet tot een ander oordeel leidt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van
11 januari 2013 en 12 juni 2013 inzichtelijk beargumenteerd dat, gelet op de bevindingen van psychiater Visser, voor appellante voldoende beperkingen voor arbeid in de FML van
27 juni 2012 zijn opgenomen.
4.3.
Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat in het rapport van de arbeidskundige bezwaar en beroep van 21 augustus 2013 voldoende is toegelicht dat de belasting in de voor appellante geselecteerde functies haar belastbaarheid niet overschrijdt. De in hoger beroep aangevoerde grond dat deze functies vanwege het opleidingsniveau ongeschikt zijn slaagt niet. Daarbij is van belang dat in het rapport van psychiater Visser is aangegeven dat appellante in Turkije basisonderwijs en een equivalent van de MAVO heeft doorlopen.
4.4.
Gezien hetgeen hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient bevestigd te worden.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van
J. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2015.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) J. van Ravenstein

TM