ECLI:NL:CRVB:2015:1148
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- G. van Zeben-de Vries
- P.H. Banda
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering na medisch onderzoek en bezwaar
Appellant meldde zich ziek in 2007 met rugklachten en ontwikkelde later ook psychische klachten. Het UWV beëindigde zijn WIA-uitkering per 1 maart 2010 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid, wat door appellant werd bestreden zonder succes in eerdere procedures.
Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid in 2011 werd nieuw medisch onderzoek verricht. De verzekeringsarts stelde beperkingen vast op grond van psychische en fysieke klachten, maar zag geen aanleiding voor een urenbeperking. Het UWV handhaafde het besluit tot beëindiging van de uitkering.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het psychisch onderzoek onvoldoende was en verwees naar een rapport van een medisch adviseur en de GAF-score. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek voldeed aan het Schattingsbesluit en dat het rapport onvoldoende gewicht had. Ook is het GAF-systeem niet geschikt voor het vaststellen van beperkingen in sociaal of beroepsmatig functioneren.
De Raad zag geen aanleiding tot benoeming van een deskundige en bevestigde de eerdere uitspraak dat de beperkingen niet onderschat waren en dat de functies passend waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.