ECLI:NL:CRVB:2015:1152
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- G. van Zeben-de Vries
- P.H. Banda
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 7 april 2011, waarin werd vastgesteld dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. Dit bezwaar werd door het UWV ongegrond verklaard en de rechtbank Amsterdam bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep betwist appellant de arbeidskundige grondslag van het besluit en de vaststelling van het maatmaninkomen. Hij stelt dat de geselecteerde functies niet passend zijn vanwege het ontbreken van een atheneumdiploma en kennis van het Frans, en dat zijn affiniteit met techniek ontbreekt. Tevens voert hij aan dat de berekening van het maatmaninkomen onjuist is, omdat onder meer de eindejaarsuitkering en een bijdrage aan de levensloopregeling niet juist zijn meegenomen.
De Raad oordeelt dat de medische beperkingen juist zijn vastgesteld en dat de arbeidskundige rapporten voldoende onderbouwen dat de geselecteerde functies passend zijn. De bezwaren tegen de functie van gereedschapsmaker worden verworpen. De berekening van het maatmaninkomen is volgens de Raad correct, waarbij een dubbeltelling van de eindejaarsuitkering is vastgesteld en de bijdrage aan de levensloopregeling slechts een gering bedrag betreft dat de mate van arbeidsongeschiktheid niet beïnvloedt.
De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om vergoeding van wettelijke rente af. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.