ECLI:NL:CRVB:2015:117
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging IVA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante betwistte het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid per 19 januari 2012 minder dan 35% bedroeg, waardoor haar recht op een IVA-uitkering werd beëindigd. Zij voerde aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat haar complexe psychiatrische en lichamelijke aandoeningen onvoldoende waren meegewogen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Raad stelde vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep alle relevante medische informatie zorgvuldig had betrokken en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) een juist beeld gaf van de beperkingen van appellante.
Ook de arbeidsdeskundige concludeerde dat appellante geschikt was voor functies die aansluiten bij haar beperkingen. Het beroep faalde mede omdat de WSW-ervaring en beperkte taalvaardigheid van appellante niet doorslaggevend waren voor de beoordeling van de geduide functies.
De Raad oordeelde dat het UWV-besluit zorgvuldig was genomen en dat de IVA-uitkering terecht was beëindigd. Er werd geen aanleiding gezien om de proceskosten aan appellante toe te kennen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de IVA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.