ECLI:NL:CRVB:2015:1256
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- C.H. Rombouts
- M. ter Brugge
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking bijstand wegens onjuiste beoordeling gezamenlijke huishouding
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en het college trok deze bijstand in vanwege het vermoeden van een gezamenlijke huishouding met S, zonder dat appellant dit had gemeld. De sociale recherche voerde een onderzoek uit, waarna het college besloot de bijstand vanaf 23 juni 2011 in te trekken en de ten onrechte ontvangen bijstand terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het college niet bevoegd was de bijstand over de periode van 23 juni 2011 tot 20 oktober 2011 in te trekken omdat appellant in die periode zijn woon- en leefsituatie voldoende had gemeld. Voor de periode daarna was er wel sprake van schending van de inlichtingenplicht.
De Raad baseert zich op objectieve criteria voor het begrip gezamenlijke huishouding, waaronder hoofdverblijf en wederzijdse zorg, en acht de getuigenverklaringen betrouwbaar. De Raad vernietigt het bestreden besluit voor zover het de intrekking over de eerste periode betreft en draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen over de terugvordering. Tevens veroordeelt de Raad het college in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand over de periode 23 juni 2011 tot 20 oktober 2011 wordt vernietigd en het college moet een nieuwe beslissing nemen over de terugvordering.