Uitspraak
18 december 2013, 13/6274 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 1 februari 2011 in tijdelijke dienst als ziekenhuisarts bij een werkgever en zat in de proeftijd. De minister besloot de tijdelijke aanstelling niet te verlengen vanwege het niet nakomen van afspraken, waaronder het wegwerken van achterstanden bij het verwerken van ontslagbrieven en het leggen van contact met collega-artsen.
Appellant stelde dat hem nooit de middelen waren gegeven om deze achterstanden weg te werken, maar de Raad stelde vast dat hulp was aangeboden, die appellant niet heeft geaccepteerd. Ook het argument dat anderen binnen de organisatie achterstanden hadden, werd verworpen omdat appellant als koploper in achterstanden in de proeftijd zat en uitdrukkelijk gewaarschuwd was.
De Raad oordeelde dat de kwaliteit van de patiëntenzorg van appellant buiten twijfel stond, maar dat administratieve taken en collegiaal overleg ook tot de functie behoren. Het niet nakomen van afspraken hierover rechtvaardigde het besluit tot beëindiging van het dienstverband. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot beëindiging van de tijdelijke aanstelling van appellant wegens het niet nakomen van essentiële afspraken.