ECLI:NL:CRVB:2015:1324
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van duurzame arbeidsongeschiktheid en weigering IVA-uitkering
Appellante, die sinds januari 2011 ziekgemeld is vanwege linkerbeenklachten, vroeg een IVA-uitkering aan. Het UWV stelde bij besluit van december 2012 vast dat zij recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering wegens 100% arbeidsongeschiktheid, maar niet duurzaam volledig arbeidsongeschikt was. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar en beroep.
De rechtbank Oost-Brabant oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische informatie op overtuigende wijze had betrokken en dat de prognose van verbetering van belastbaarheid op goede gronden was gebaseerd. De rechtbank vond dat de revalidatiebehandeling en therapieën een reële kans op herstel boden.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij wel duurzaam volledig arbeidsongeschikt was en dat de revalidatie gericht was op leren omgaan met beperkingen, niet op verbetering. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat duurzame arbeidsongeschiktheid medisch stabiel of verslechterend moet zijn, met geringe kans op herstel.
De Raad concludeerde dat de verzekeringsartsen een concrete en deugdelijke afweging hadden gemaakt, waarbij prognoses van revalidatieartsen en anesthesiologen een verbetering van belastbaarheid verwachtten. Het latere wijziging van het behandeltraject had geen invloed op de prognose per 31 december 2012. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
De proceskostenveroordeling werd niet toegewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter J.W. Schuttel op 24 april 2015.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante niet duurzaam volledig arbeidsongeschikt is en daarom geen IVA-uitkering ontvangt.