ECLI:NL:CRVB:2015:1383
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens vermogen in auto met gewijzigde tenaamstelling
Appellant vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college wees de aanvraag af omdat appellant als eigenaar van een auto werd beschouwd, waardoor hij beschikte over vermogen boven de vrij te laten grens. De auto stond van 2002 tot 22 oktober 2012 op naam van appellant en werd daarna op naam van zijn moeder gezet.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland vernietigde het besluit deels, oordeelde dat de auto na 22 oktober 2012 niet meer tot het vermogen van appellant behoorde, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld door onduidelijkheid over de tenaamstelling.
In hoger beroep stelde appellant dat de auto van zijn vader was, die hem tijdelijk op zijn naam had gezet om beslag te voorkomen, en dat de overdracht aan zijn moeder om niet had plaatsgevonden. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet over de auto beschikte in de eerste periode en dat het college terecht de auto tot zijn vermogen rekende. Voor de tweede periode stelde de Raad vast dat het college onvoldoende had aangetoond dat appellant over de auto kon beschikken.
De Raad vernietigde het besluit over de tweede periode en wees het college op om binnen acht weken een nieuwe beslissing te nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met de overwegingen van de Raad.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt deels vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen over de bijstandsaanvraag.