ECLI:NL:CRVB:2015:1385
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens hennepplantage zonder dringende redenen tot kwijtschelding
Appellant ontving sinds 1996 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een melding van de politie dat in zijn woning een hennepplantage was aangetroffen, voerde de sociale recherche een onderzoek uit dat leidde tot het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Goes om de bijstand over de periode van 1 maart 2012 tot en met 31 mei 2012 in te trekken en de kosten terug te vorderen.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd door het college ongegrond verklaard. De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat er dringende redenen waren om af te zien van terugvordering, onder meer vanwege ernstige psychische klachten en het niet kunnen worden toegelaten tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college terecht het beleid hanteert dat alleen bij dringende redenen kan worden afgezien van terugvordering. Dringende redenen moeten gelegen zijn in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen die uitzonderlijk en individueel afgewogen zijn. Appellant bracht echter geen medische stukken aan die zijn psychische klachten onderbouwen en de omstandigheid dat hij niet kan worden toegelaten tot de schuldsanering vormt geen dringende reden. Bovendien geniet appellant bescherming via de beslagvrije voet bij invordering.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand wegens werkzaamheden voor een hennepplantage en wijst het hoger beroep af wegens ontbreken van dringende redenen.