ECLI:NL:CRVB:2015:141
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking bijstand wegens onvoldoende bewijs hoofdverblijf
Appellant ontving bijstand en stond ingeschreven op een adres in Amsterdam. Na het niet reageren op oproepen ontstond het vermoeden dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde. Handhavingsspecialisten voerden een huisbezoek uit waarbij appellant niet volledig meewerkte, maar wel herenkleding, administratie en persoonlijke verzorgingsproducten op het adres aanwezig waren.
Het college trok de bijstand in en vorderde terugbetaling wegens het niet voldoen aan medewerkingsverplichtingen en het ontbreken van bewijs van hoofdverblijf op het uitkeringsadres. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat appellant op hoofdlijnen heeft meegewerkt en dat de bevindingen van het huisbezoek onvoldoende aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat appellant niet op het adres woonde. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het besluit van het college wordt vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel en het bestuursrecht.
De Raad draagt het college op om opnieuw te beslissen, rekening houdend met deze uitspraak, en veroordeelt het college in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde.