ECLI:NL:CRVB:2015:143
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.C.F. Talman
- Y.J. Klik
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en zelfstandigheid
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB, maar het college ontdekte dat appellante sinds 2009 als beherend vennoot van een commanditaire vennootschap actief was en inkomsten uit zelfstandige activiteiten genoot. Het college trok de bijstand met ingang van 1 januari 2010 in en vorderde de kosten terug wegens het niet melden van deze zelfstandige activiteiten en inkomsten.
De rechtbank oordeelde dat appellante als zelfstandige in de zin van het Bbz 2004 moest worden aangemerkt en dat appellanten daarom geen recht hadden op bijstand. Appellanten gingen in hoger beroep tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, stellende dat zij voldeden aan het urencriterium en hun inlichtingenverplichting hadden nageleefd.
De Raad concludeerde dat appellante in 2010 en 2011 als zelfstandige moest worden beschouwd, dat de werkzaamheden voor de verschillende ondernemingen als één geheel moesten worden gezien en dat appellante aan het urencriterium voldeed. De Raad stelde vast dat appellanten de inlichtingenverplichting niet tijdig en volledig zijn nagekomen, omdat zij niet duidelijk hebben gemeld dat appellante beherend vennoot was en dat er sprake was van een aanzienlijk kapitaal en uitbreiding van werkzaamheden.
De zesmaanden-jurisprudentie was niet van toepassing vanwege de schending van de inlichtingenverplichting. Het hoger beroep werd afgewezen, de aangevallen uitspraak bevestigd en het college werd veroordeeld in de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.