ECLI:NL:CRVB:2015:152
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verlaging bijstand wegens tekortschietend besef verantwoordelijkheid met onjuiste grondslag gecorrigeerd
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en werd geconfronteerd met een verlaging van haar bijstand met 100% voor een maand omdat zij algemeen geaccepteerd werk zou hebben geweigerd. Dit besluit werd gehandhaafd door de rechtbank Amsterdam. In hoger beroep stelde appellante dat het besluit onjuist was.
De Raad oordeelde dat de verlaging van de bijstand was gebaseerd op een onjuiste wettelijke grondslag, omdat de verplichting om arbeid te behouden niet valt onder de verplichting om arbeid te aanvaarden zoals bedoeld in de WWB. Dit werd door het college erkend, maar niet door de rechtbank onderkend. Daarom werd de aangevallen uitspraak vernietigd en het beroep gegrond verklaard.
Vervolgens beoordeelde de Raad of een maatregel kon worden opgelegd wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Uit het dossier en verklaringen bleek dat appellante door eigen toedoen haar werk niet had behouden vanwege onverenigbare werktijdenwensen. De Raad onderschreef het standpunt van het college dat dit een maatregel rechtvaardigt.
De Raad bepaalde dat de bijstand verlaging met 30% gedurende een maand passend is, conform de Maatregelverordening, en matigde daarmee het eerdere besluit. Tevens veroordeelde de Raad het college in de proceskosten van appellante en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: De bijstand van appellante wordt met ingang van 1 maart 2013 verlaagd met 30% gedurende een maand.