ECLI:NL:CRVB:2015:1520
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling omvang hulp bij het huishouden op grond van de Wmo
Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om hem drie uur per week hulp bij het huishouden toe te kennen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college baseerde de toekenning op een telefonisch indicatiegesprek waarin appellant zijn beperkingen had aangegeven. Het bezwaar werd ongegrond verklaard en de rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat het college onvoldoende zorgvuldig had gehandeld door geen medisch onderzoek te laten verrichten, mede vanwege zijn psychische problematiek en lichamelijke klachten die niet volledig waren meegewogen. De Raad oordeelde dat het college op basis van de door appellant verstrekte informatie en de beleidsregels een zorgvuldige beoordeling had gemaakt. De combinatie van aandoeningen rechtvaardigde geen aanvullend medisch onderzoek.
De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende medische onderbouwing had geleverd om aan te tonen dat het college zijn beperkingen had onderschat. De toegekende tijd voor hulp bij het huishouden was passend, waarbij gedeeltelijke overname van licht huishoudelijk werk en de was was toegekend, en volledige overname van zwaar huishoudelijk werk en zware boodschappen. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.