ECLI:NL:CRVB:2015:1539
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afwijzing bijstandsaanvraag zelfstandige wegens niet-levensvatbaar bedrijf
Verzoeker heeft bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een aanvraag ingediend voor algemene bijstand en bedrijfskapitaal op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Het college vroeg het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) om een bedrijfseconomisch onderzoek, dat concludeerde dat het bedrijf niet levensvatbaar is vanwege onvoldoende onderbouwing van haalbare omzetten en grote financieringsrisico's.
Verzoeker leverde een contra-expertise in die het advies van het IMK deels betwistte, maar het college handhaafde het besluit tot afwijzing. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onzorgvuldigheid, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Verzoeker vroeg vervolgens om een voorlopige voorziening om de voorschotverlening voort te zetten tot het hoger beroep was beslist.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het financiële belang van verzoeker spoedeisend is, maar dat het advies van het IMK zorgvuldig tot stand is gekomen en de aangevallen uitspraak naar verwachting in stand blijft. De voorzieningenrechter zag geen aanleiding voor een voorlopige voorziening, mede gelet op de verliezen en schulden van verzoeker en het ontbreken van een onderbouwde kans op succes in de bodemprocedure.
De voorzieningenrechter wees het verzoek af en benadrukte dat voortzetting van de voorschotverlening de onwenselijke situatie zou verlengen waarin verzoeker zijn bedrijf niet kan ontwikkelen en schulden oplopen, terwijl hij via de Participatiewet een vangnet heeft.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het advies van het IMK zorgvuldig is en de aangevallen uitspraak naar verwachting in stand blijft.