ECLI:NL:CRVB:2015:1570
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- E.J.M. Heijs
- W.J.A.M. van Brussel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsgeldigheid en rechtsgevolgen van plaatsing in risicodragende formatie bij schoolbestuur
Appellant was sinds 1991 werkzaam als conciërge en schoonmaker bij een school voor speciaal basisonderwijs. In 2013 plaatste het bestuur van de Stichting appellant met ingang van 1 augustus 2013 in het risicodragende deel van de formatie (RDDF), waarbij ontslag mogelijk werd gemaakt. De algemene directie stelde later een afvloeiingsregeling (Regeling 2013) vast met terugwerkende kracht, die nadeliger was voor appellant dan de eerdere regeling uit 1985.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bestuur niet bevoegd was het besluit te nemen; die bevoegdheid lag bij de algemene directie. Daarom werd het besluit vernietigd. De algemene directie had het besluit echter bekrachtigd en nader gemotiveerd, waardoor de rechtsgevolgen in stand konden blijven.
De Raad overwoog dat de terugwerkende kracht van de Regeling 2013 in strijd is met rechtszekerheid, maar dat toepassing van de hardheidsclausule uit de Regeling 1985 en de CAO PO 2013 de plaatsing van appellant in het RDDF rechtvaardigt. Appellant kon geen andere functies vervullen en de plaatsing was in het belang van de school. De Raad veroordeelde de algemene directie tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.