De Centrale Raad van Beroep behandelde het hoger beroep van appellante tegen het besluit van het Zorgkantoor Menzis tot terugvordering van een persoonsgebonden budget (pgb) over de periode 30 april 2010 tot en met 31 december 2010. De rechtbank had het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn, maar de Raad oordeelde dat het Zorgkantoor onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het besluit tijdig was verzonden, waardoor het beroep tijdig was ingediend.
Inhoudelijk stelde het Zorgkantoor dat appellante niet had voldaan aan de verplichtingen uit de Regeling subsidies AWBZ, omdat de overgelegde facturen niet overeenkwamen met de betaalde bedragen. Appellante kon geen sluitend bewijs leveren dat de zorg waarvoor het pgb was verstrekt daadwerkelijk was verleend. De Raad benadrukte dat de verantwoording van de besteding van het pgb de eigen verantwoordelijkheid van de verzekerde is, ook als het pgb met terugwerkende kracht wordt toegekend.
De Raad oordeelde dat het Zorgkantoor terecht het pgb lager had vastgesteld en het teveel betaalde bedrag mocht terugvorderen, waarbij rekening moet worden gehouden met een evenredige belangenafweging. De financiële draagkracht van appellante bood geen grond om terugvordering te weigeren, mede gezien de bescherming van de beslagvrije voet. De Raad vernietigde de aangevallen uitspraak, verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde het Zorgkantoor in de proceskosten van appellante.