Appellant kreeg op 20 april 2009 een WGA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 72%. Na bezwaar en beroep werd dit besluit door de rechtbank bevestigd. In hoger beroep betwist appellant de juistheid van het maatmanloon, de inschatting van zijn beperkingen en de geschiktheid voor geselecteerde functies, mede vanwege het ontbreken van adequate toiletvoorzieningen.
De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige, prof. dr. E. Boven, die een zorgvuldig en consistent rapport uitbracht. De Raad volgde dit rapport en oordeelde dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag berust. Hoewel twee functies vervallen vanwege het ontbreken van directe werkonderbreking voor toiletbezoek, blijven drie functies passend met de eis van een invalidentoilet.
De Raad concludeerde dat de mate van arbeidsongeschiktheid moet worden vastgesteld op 74,57%, hoger dan eerder vastgesteld. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn van de procedure met ruim veertien maanden werd overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van €1500,- aan appellant. Het Uwv werd veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht.