ECLI:NL:CRVB:2015:160
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet opgegeven extra uren arbeid
Appellant ontving sinds 2002 bijstand en werkte sinds 2006 parttime bij een autobedrijf, waarbij hij vijftien uur per week en een netto inkomen van €300,- per maand had opgegeven. De gemeente Amsterdam voerde een onderzoek uit en concludeerde dat appellant meer uren werkte dan opgegeven.
Het college trok daarom de bijstand vanaf 2 juli 2012 in, omdat appellant geen duidelijkheid gaf over de omvang van zijn werkzaamheden en inkomsten, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig was, geen andere inkomsten had en niet wist dat meer dan vijftien uur aanwezigheid als arbeid werd gezien. De Raad oordeelde echter dat de onderzoeksresultaten en verklaringen van appellant dit tegendeel niet aannemelijk maakten.
De Raad stelde vast dat appellant de inlichtingenverplichting had geschonden door niet volledig te rapporteren over zijn aanwezigheid en werkzaamheden, ongeacht het feit of hij daarvoor betaald werd. Ook het ontbreken van bewustzijn hierover ontsloeg hem niet van deze verplichting.
Omdat appellant geen concrete en verifieerbare gegevens had geleverd die zouden aantonen dat hij recht had op bijstand over die periode, was het college bevoegd de bijstand in te trekken. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd vanwege het niet opgegeven verrichten van extra uren arbeid.