ECLI:NL:CRVB:2015:1711
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit herziening en terugvordering pgb 2011 wegens onvoldoende bewijs verblijf zorgverleners
Appellante ontving in 2011 een persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke verzorging. Het college herzag dit pgb en vorderde het bedrag van €1.752,81 terug omdat de zorgcontracten met twee zorgverleners adressen in Polen vermeldden en appellante niet aannemelijk had gemaakt dat deze in Nederland woonden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat onvoldoende bewijs was geleverd dat de zorgverleners in Nederland verbleven en zorg verleenden. In hoger beroep heeft appellante aanvullende bewijsstukken overgelegd, waaronder huurovereenkomsten, kwitanties van huurbetalingen en verklaringen die aantonen dat de zorgverleners daadwerkelijk in Nederland verbleven en op het adres van appellante aanwezig waren.
De Raad oordeelt dat deze bewijsstukken voldoende zijn om aannemelijk te maken dat de zorgverleners in Nederland woonden en zorg verleenden. Het college kon het pgb daarom niet afwijzen op grond van verblijf in het buitenland. Het bestreden besluit wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld in de proceskosten. Tevens wordt het besluit van 7 augustus 2012 herroepen en appellante wordt het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot herziening en terugvordering van het pgb 2011 wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld in de proceskosten.