Uitspraak
8 augustus 2013, 13/2196 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
7 november 2012.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB en werd door het college van Almere beschuldigd van het voeren van een gezamenlijke huishouding buiten haar uitkeringsadres, wat leidde tot intrekking van bijstand en terugvordering van kosten.
De rechtbank oordeelde dat het college niet bevoegd was om de bijstand in te trekken op basis van het voeren van een gezamenlijke huishouding, maar vond wel dat appellante haar woonplaats niet meer in de gemeente had, waardoor de rechtsgevolgen van intrekking in stand bleven.
De Centrale Raad van Beroep stelde in hoger beroep vast dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende waren om te concluderen dat appellante haar woonplaats buiten de gemeente had. De verklaringen van appellante waren inconsistent en de getuigenverklaringen en waarnemingen boden geen voldoende grondslag.
De Raad vernietigde daarom de aangevallen uitspraak en de besluiten van het college, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde het college in de proceskosten van appellante. De intrekking van de bijstand en terugvordering van kosten waren onterecht.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering van kosten worden vernietigd en de besluiten van het college worden herroepen wegens onvoldoende bewijs van woonplaatsverandering.