ECLI:NL:CRVB:2015:1783
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en afwijzing nieuwe aanvraag
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, maar het college trok deze bijstand in per 2 oktober 2010 wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met L, met wie zij twee kinderen heeft. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking en tegen de afwijzing van een nieuwe aanvraag ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellante dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding ten onrechte werd toegepast en dat zij zich op het vertrouwensbeginsel kon beroepen. De Raad oordeelde dat het rechtsvermoeden terecht werd toegepast omdat hoofdverblijf in dezelfde woning en het hebben van een kind uit de relatie onomstreden waren. Het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan door het college.
Verder wees de Raad de nieuwe aanvraag af omdat er geen wijziging van omstandigheden was aangetoond. De moeilijke persoonlijke situatie van appellante bracht hierin geen verandering. De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd en de nieuwe aanvraag wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten.