ECLI:NL:CRVB:2015:1784
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant, directeur-grootaandeelhouder van een BV, vroeg bijstand aan na beëindiging van zijn zelfstandige onderneming. Het college kende bijstand toe onder de voorwaarde dat appellant geen zelfstandige activiteiten meer zou verrichten. Later bleek dat appellant toch werkzaamheden verrichtte voor zijn BV en inkomsten daarvan niet meldde.
Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank oordeelde dat de werkzaamheden op geld waardeerbaar waren en dat appellant onvoldoende inzicht gaf in zijn financiële situatie, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellant dat de werkzaamheden geen invloed hadden op zijn recht op bijstand en dat de inkomsten aan de BV toekwamen, niet aan hem. De Raad verwierp deze stellingen, oordeelde dat het niet melden van werkzaamheden een schending van de inlichtingenverplichting is en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt recht te hebben op bijstand.
De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en wees het verzoek tot schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.