ECLI:NL:CRVB:2015:797
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) en vroegen langdurigheidstoeslag aan. Na meldingen dat zij werkzaamheden verrichtten in een cafetaria van hun zoon, stelde de gemeente een onderzoek in. Dit leidde tot intrekking van de bijstand vanaf 1 juni 2010 en terugvordering van kosten.
Appellanten voerden aan slechts in december 2011 en januari 2012 werkzaamheden te hebben verricht en betwistten de verklaring van appellant. De Raad oordeelde dat appellanten gedurende de gehele periode van 1 november 2010 tot en met 31 januari 2012 op geld waardeerbare activiteiten verrichtten, ongeacht of zij hiervoor betaald werden.
De verklaring van appellant werd als betrouwbaar beoordeeld, mede omdat deze zonder voorbehoud was ondertekend en er geen aanwijzingen waren voor onbegrip of dwang. De Raad verwierp het verweer dat alleen in twee maanden werkzaamheden waren verricht.
Het college had terecht de bijstand ingetrokken en teruggevorderd omdat appellanten hun inlichtingenplicht hadden geschonden door de werkzaamheden niet te melden. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd.