ECLI:NL:CRVB:2015:1789
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- E.C.R. Schut
- C.H. Rombouts
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding en toeslag bij bijstandsaanvraag WWB
Appellant vroeg bijstand aan volgens de norm voor een alleenstaande met ingang van 1 maart 2012. Het dagelijks bestuur kende bijstand toe vanaf 19 april 2012 en wees de aanvraag voor de periode daarvoor af omdat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met zijn broer. Tevens werd de bijstand verhoogd met een toeslag van 10% omdat appellant woonlasten kon delen.
De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep betwist appellant dat sprake was van een gezamenlijke huishouding in de periode 1 maart tot 19 april 2012. De Raad oordeelt dat aan de objectieve criteria voor gezamenlijke huishouding is voldaan, waaronder het delen van het hoofdverblijf en wederzijdse zorg, zoals financiële bijdragen en huishoudelijke taken.
Verder is de verhoging van de bijstand met een toeslag van 10% conform de gemeentelijke verordening en het bepaalde in artikel 25 WWB Pro, waarbij het kunnen delen van woonlasten doorslaggevend is. Het beroep op strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel faalt vanwege de gedecentraliseerde uitvoering van de WWB. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.