ECLI:NL:CRVB:2015:1798
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en bezit buitenlandse woningen
Appellant ontving sinds april 2009 bijstand op grond van de WWB. Tijdens een gesprek in september 2010 verklaarde appellant handel te drijven in auto’s, twee woningen in Iran te bezitten die hij verhuurt aan zijn zus, over een groot contant geldbedrag en twee Amerikaanse creditcards te beschikken. Het college van Almere beëindigde daarop de bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting, omdat appellant deze feiten niet eerder had gemeld en geen nadere gegevens verstrekte.
Appellant voerde aan dat zijn verklaring in een emotionele bui was afgelegd en onjuist was, maar kon dit niet met objectieve medische gegevens onderbouwen. De Raad constateerde dat appellant zijn verklaring grotendeels bevestigde en onvoldoende bewijs leverde om te twijfelen aan de juistheid ervan. Het bezit van de buitenlandse woningen, de handel in auto’s en het beschikken over contant geld en creditcards zijn relevant voor het recht op bijstand.
De rechtbank had het beroep van appellant ongegrond verklaard en de Raad bevestigt deze uitspraak. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij recht had op bijstand over de te beoordelen periode. Het hoger beroep wordt verworpen en de intrekking van de bijstand blijft in stand.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting en onvoldoende bewijs voor recht op bijstand.