ECLI:NL:CRVB:2015:1874
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- E.E.V. Lenos
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens minder dan 45% arbeidsongeschiktheid
Appellante, wiens echtgenoot in 2009 overleed, ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De uitkering werd beëindigd nadat haar jongste kind 18 jaar werd, maar appellante maakte bezwaar met het argument dat zij arbeidsongeschikt is en dus recht zou houden op de uitkering.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) voerde meerdere medische en arbeidskundige onderzoeken uit. In 2011 werd zij nog als meer dan 45% arbeidsongeschikt beschouwd, maar een herbeoordeling in 2012 leidde tot het advies dat zij minder dan 45% arbeidsongeschikt is. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) beëindigde daarop de uitkering, wat door appellante werd aangevochten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde zij dat haar beperkingen werden onderschat en dat haar gezondheid niet was verbeterd sinds 2011. De Raad oordeelde echter dat in 2011 geen functionele mogelijkhedenlijst (FML) was opgesteld en dat de beoordeling in 2012 zorgvuldig en consistent was, mede op basis van medische rapporten van behandelaren uit de geestelijke gezondheidszorg.
Ook werd overwogen dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling zowel een medisch als een arbeidskundig deel omvat, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid kan variëren bij gelijkblijvende gezondheidstoestand. De Raad vond geen reden om het bestreden besluit te vernietigen en bevestigde de beëindiging van de uitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de nabestaandenuitkering omdat appellante minder dan 45% arbeidsongeschikt is.