ECLI:NL:CRVB:2015:1945
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en intrekking WIA-uitkering bij vermeende simulatie niet bewezen
Appellant ontving vanaf 2007 een WIA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na een strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke fraude door een psychiater, herzag het UWV de uitkering en trok deze met terugwerkende kracht in op grond van vermeende onjuiste informatieverschaffing.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de beperkingen anders waren dan aanvankelijk vastgesteld. Appellant ging in hoger beroep en betwistte de intrekking, stellende dat er geen sprake was van verwijtbaar gedrag.
De Raad oordeelde dat het UWV onvoldoende bewijs had geleverd dat appellant een ziekte had voorgewend (gesimuleerd). De rapporten van psychiaters Kondakçi en Hassing toonden geen concrete aanwijzingen voor simulatie, slechts aggravatie. De intrekking met terugwerkende kracht is daarom in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigd, en het besluit van 12 oktober 2011 herroepen. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De intrekking van de WIA-uitkering met terugwerkende kracht wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van simulatie en strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.