Appellante was per 1 december 2009 in vaste dienst bij een organisatie en werd eervol ontslagen per 1 juni 2010. Na vernietiging van het ontslagbesluit door de Raad, verzocht zij om uitbetaling van niet-betrokken ADV-uren, wat werd afgewezen. Tegen dit besluit en een daaropvolgend besluit over een salarisspecificatie werd beroep ingesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van gronden, en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Appellante stelde dat zij uitstel had gekregen voor het indienen van gronden, maar de Raad oordeelde dat zij voldoende gelegenheid had gehad en dat het beroep terecht niet-ontvankelijk was verklaard.
Het bestuursorgaan bood aan de eerder betaalde ontslagvergoeding opnieuw uit te betalen, waarop appellante haar beroep tegen het tweede besluit introk. De Raad oordeelde dat alleen reiskosten voor vergoeding in aanmerking kwamen en wees proceskostenvergoeding toe van €16,68.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het eerste besluit en veroordeelde het bestuursorgaan tot vergoeding van de reiskosten van appellante.